Galgje
We gaan soms op bezoek bij haar jongste broer. Hij zit op kot in een studentenstad aan de andere kant van het land. Standaard op het programma staat een leuk restaurantje waar we lekker eten, bijkletsen en een spelletje spelen. We hebben al eens met een post-it op ons hoofd ‘Wie ben ik?’ gespeeld of gekaart in een bruine kroeg. Maar nu gingen we voor Galgje op de placemat van het restaurant.
Zij is aan de beurt om een woord te bedenken. Haar broer vraagt: ‘Heb je alle letters?’, waarop zij antwoordt: ‘Jullie moeten maar een beetje ‘op z’n dyslexies’ denken!’
Haar broer raadt de ‘B’. Zij schrijft een ‘D’. Ik zeg haar dat hij een ‘B’ zei. ‘Oh’, zegt haar broer, ‘ik bedoelde die hoor!’ Ik probeer er een beetje luchtig over te doen en me een beetje in te houden, want eigenlijk weet ik het woord al een tijdje. Ik kan namelijk vrij goed ‘op z’n dyslexies denken’. De ‘D’ wordt in een bepaald vakje gezet, waarop ik zeg dat de D een vakje verder moet. Ik zie drie hoofden in mijn richting draaien en denken: ‘Hoe weet jij nu al waar die D moet staan?’.
We spelen nog een tijdje verder en ik hoor hun beider vader die aan mijn kant van de tafel zit, steevast vragen om het blad even om te draaien omdat hij het zo niet goed kan zien. En haar broer zie ik stiekem een paar keer naar zijn gsm grijpen om de schrijfwijze van zijn woord te checken als we een letter raden.
‘Is er dan toch een genetische belasting?’, denk ik even. Maar dan word ik snel weer ondergedompeld in een heerlijke familiezondag.